Mosmanneke

Water-oen!

Altijd weer een genot een dagje rond te dwalen in de Matjens, het rietmoeras op de grens van Nederland en België tussen Achtmaal en Nieuwmoer. Op een weiland langs de Begij­nenmoeren­weg zocht een compacte groep van maar liefst 103 Grutto’s naar voedsel. Bij grens­paal 232 in het zuidelijk rietgebied klonk het voortdurend gefluit van Wintertaling manne­tjes. De vrouwtjes lieten een hoog fijn kwekje horen. In vliegende galop staken twee Reeën een weiland over en doken bijna zonder vaart te minderen onder het prikkeldraad door. Twee Hermelijnen in winter­kleed (wit met zwarte staart­punt) lieten zich goed bekijken. Een van de diertjes waagde zich zelfs midden op een gemaaide vlakte. De andere liep een tiental minuten heen en weer langs een slootkant. Soms ook rennend met flinke sprongen waarbij hij op het hoogste punt van de sprong horizon­taal in de lucht hing. Slechts enkele meters boven hem werd zijn spel met duidelijk ongenoegen gadege­slagen door een Winterkoning.

matjensslootDe Matjens, sloot bij het Windmolentje

Geritsel tussen het gras aan de overkant van een sloot was voldoende mijn pas abrupt te onder­breken. Een nieuwsgierige zwarte kop met witte snuit en felle zwarte oogjes keek onder­zoekend naar de overkant. Gelukkig beschouwde de Bunzing het standbeeld waarin ik was veranderd als een onderdeel van de natuur. Zijn grappige oortjes staken als een soort halve maantjes uit de beharing. Tussen de ogen en de oren zat nog een grijswit gedeelte. Bijna driftig kroop hij onder de dorre rietstengels en maakte daarbij zoveel lawaai dat een Waterhoen en Meerkoet nieuwsgierig naderbij kwamen. Het Water­hoentje deed wat zenuwachtig en produceer­de doorlopend een vrij zacht: ‘Toek-toek-toek.’ De Meerkoet liet een paar maal zijn metaalachtig ‘piek-piek’ horen.

De Bunzing trok zich er niets van aan en ging op zijn achterpoten tegen een met mos begroeide wilg staan. Na een spiedende blik opwaarts liet hij zich weer terugzakken, scharrelde wat rond en verdween tenslotte in een holletje niet eens zo heel ver boven de waterspiegel. Vrij simpele waarnemingen maar geloof maar dat ze mijn wandeling tot een genoegen maakte! Twee brutale Zil­vermeeuwen achter­volgden een Blauwe Reiger die wat gevangen had. Ondanks aandringen van zijn belagers waardoor de reiger soms moest uitwijken gaf hij zijn prooi niet prijs. Op de meeste weilanden en akkers klonk het benepen geluid van balt­sende Kieviten. De massa’s Kokmeeuwen mocht ik op het conto schrijven van gierende boeren. Door­dat ik rustig in een hoop verdroogd gras zat te eten zagen voorbij vliegende vogels me pas op het allerlaatste moment. Meestal ging dat gepaard met een onverhoedse schrikbeweging (van de vogels!)

Grappig was het voorval met twee Waterhoentjes waarvan er één solliciteerde naar de benaming ‘water-oen!’ Ik betrapte ze in een smal slootje van nog geen halve meter breed. Eén nam, laag vliegend over het water, de vlucht en streek op veilige afstand weer neer. De ander verdween onder water en kwam niet meer boven. Deze manier van vluchten, het plotseling onzichtbaar worden, werkt uitstekend in een grotere sloot of plas maar in het ondiepe slootje kon ik precies zien waar hij naar toe zwom. Rustig meende ik te kunnen wachten tot hij uit ademnood weer boven zou komen. Na vijf minuten was er echter nóg niets te zien en dat prikkelde in hoge mate mijn nieuwsgierigheid. In het slootje was alles weer normaal. Heel in de verte zwom het andere Waterhoen, zich waarschijnlijk afvragend waar zijn maatje bleef. Ik liet me naar de rand van het water zakken en tuurde naar de plek waar hij moest zitten. Geen rimpeltje verroerde het wateroppervlak. Er was ook geen holte in de oever waar hij ingeschoten was. Ik sprong over het slootje en bewoog mijn (gelaarsde) voet door het water. Dat hielp!

De vogel schoot boven water uit en vluchtte naar zijn collega in de verte. Al die tijd had hij zich met alleen zijn snaveltje boven water verborgen gehouden. Om niet door de laars geraakt te worden moest hij noodgedwongen zijn schuilplaats verlaten, anders had ik ongetwijfeld kunnen wachten tot St.Juttemis. Of ik dan het snaveltje niet zag dat boven water uitstak? Door ongerechtigheden langs de waterkant (takjes, grassprietjes e.d.) was dat uitgeslo­ten. Normaal gesproken is het een sublieme ontsnappingstechniek die in het smalle slootje (zij het nipt) zijn uitwerking miste. Voor mij was dat niet erg want dank zij het water”oentje” was ik weer een leuke ervaring rijker.

‘t Mosmanneke   maart 2007

Een gedachte over “Water-oen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*