Mosmanneke

Zomerbelevenissen in mijn tuin

DE MEREL EN DE HOMMEL


Tijdens de hete zomerse dagen van 2006 zaten we van ‘s morgens tot ‘s avonds in de tuin. Als natuurliefhebber blijf je dan toch op de kleine dingetjes letten die rondom je gemakkelijke stoel gebeuren.

Nou ja, kleine dingetjes. Een Sperwer die vlak achter je, in de tuin van de buurman, dood en verderf zaait is natuurlijk niet niks. Zeker niet als hij even later, met een levenloze bungelende Merel in zijn scherpe klauwen, vlak over je heen vliegt en tussen de bomen van de aangrenzende tuinen verdwijnt. Jammer voor de Merel die ondanks hevige protesten van zijn familieleden uit elkaar getrokken zal worden. Op dezelfde manier als wij een kippenbilletje uit elkaar trekken! De zwarte lijsters moeten trouwens hun scheldkanonnades achterwege laten want ze zijn van hetzelfde slag als de Sperwer. De manier waarop een Merel zich bezig hield met een Hommel getuigde ook niet echt van ‘liefde voor de medemens’.

Hommel

De Hommel die (eind juli) niet meer zo snel was als in zijn jonge dagen kroop over het verdorde gras. De Merel streek bij hem neer, pikte hem zeker vijf keer, gooide hem ook een paar keer omhoog en vloog vervolgens weg, de Hommel half dood achterlatend. Een rotstreek van die Merel. De Sperwer eet zijn prooi tenminste nog op. De Hommel was, zoals gezegd, nog niet dood en kroop na enige tijd, met putjes in zijn rug van het pikken, toch nog verder. Ik liet hem op een blad kruipen en zette hem neer op een minder in het oog lopende plaats. ‘s Avonds ging ik nog eens kijken, maar hij was nergens meer te zien. De beschadiging aan de vleugels viel mee. Misschien is hij toch nog op kunnen stijgen om invulling te geven aan zijn laatste levensdagen.

BADEND IN DE ZON
Een Groenling zit heel de zomer al te zingen. Nu het tegen eind juli loopt wordt het wat minder. Hij laat nu wel vaak een, oplopend, vragend, vrij lang aangehouden en hard ‘fuu-ie?’ horen. Een Patrijs die soms vanaf de aangrenzende weilanden de tuin in komt kreeg mijn vogelbadje in de gaten en begon er lustig in rond de badderen. Ik moest er bij wijze van spreken met de gieter bij blijven staan. Allerlei vogels hadden trouwens zin in een bad. Sommige Vinken leken rechtstreeks in de vijver te vliegen. Ze maakten echter gebruik van de waterplanten. De naar het water gebogen bladeren van de Zwanenbloem waren zeer geschikt als zitplaats. De bladeren van de Waterlelie hadden genoeg drijfkracht om een klein vogeltje te dragen. Mocht een blad wat zinken dan was dat vaak net genoeg om te drinken van het water dat op het blad liep. De vogels zochten dus verkoeling al zag ik ook een Merel met uitgespreide vleugels, dicht tegen de grond aangedrukt, een zonnebad nemen.

TONGZOENENDE HOUTDUIVEN
Een meter of tien schuin boven ons zat een koppel Houtduiven te vrijen dat het klapte. Zomaar open en bloot op een dikke tak van de verdorde kersenboom. De snavels werden in elkaar geslagen. Het kwam zelfs even tot een paring, maar dat duurde veel korter dan het snavelritueel. Het voorspel is dus, zoals ik altijd al heb gedacht, belangrijk. Geen wonder dat het mannetje even later opgewekt zat te koeren. Het zingen van Houtduiven mag dan op het eerste gehoor allemaal hetzelfde klinken, er kan wel degelijk variatie in zitten. Vogelaars kennen allemaal het bekende ‘koe-koe-koekoeroe’ van vijf lettergrepen. Als de duif dat een aantal malen heeft laten horen doet hij bijna altijd nog een extra toontje erbij. Dus na het laatste ‘koe-koe-koekoeroe’ komt nog een ‘roe’. Eigenaardig genoeg wordt van dat toontje in geen enkele van de zes vogelboeken die ik er op nasloeg gewag gemaakt. Niettemin is het wel degelijk een grappig onderdeel van de zang. “Onze” Houtduif maakte van dat laatste toontje een bibberende variatie (roeoeoe). Overigens deed hij dat ook wel eens bij de tweede lettergreep. Dan kreeg je zoiets van “koe-koeoeoe-koekoeroe…..roeoeoe! Het is maar dat u het weet!

GEF(V)REESD WEILAND
Op het gefreesd weiland achter de tuin klonk het benepen geluid van Kieviten. Hoogst zelden vliegen ze boven de achtertuinen. Ze blijven in hun eigen biotoop. Waarom de boer het weiland tijdens de extreme droogte heeft gefreesd is me een raadsel. De paarden vonden ondanks de droogte toch nog iets van hun gading. Nu lopen ze, na het frezen, door het zand en steken hun kop onder de afrastering door omdat daar nog wat gras staat. Het weiland ligt er al een paar weken bij als een zandwoestijn. Inzaaien heeft vanwege de droogte geen zin. De buurman van een paar huizen verderop vind het wel goed. “Er groeide onkruid in het weiland” zei hij “en het zaad waaide in mijn moestuin”. “Dus nu het weiland gefreesd is hoef je in de moestuin niet meer te schoffelen?” vroeg ik. Hij moest echter nog steeds de schoffel hanteren. “Schoffelen moet je dus toch” zei ik “het maakt helemaal niks uit als er wat onkruid staat te bloeien. Achteraf drong het tot me door dat ik aan de pony’s dacht en de buurman aan zichzelf. Is dat meteen het verschil tussen natuurbeschermers en de rest van de maatschappij? Het verschil tussen betrokkenheid en egoïsme? Dat moet haast wel.

‘t Mosmanneke juni/juli 2009

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*