Mosmanneke

Bruin mannetje, wit vrouwtje

Op weg naar het terrein van Brabant Water in Bosschenhoofd fietste ik langs ‘Park Seppe”. Rond het voormalige retraitehuis was het vroeger door de aanwezigheid van mooie oude bomen een echt park, maar zo werd het toen niet genoemd. Daarna hebben ze bijna alle bomen gekapt en huizen gebouwd, vanaf die tijd noemen ze het “park”!

Eind augustus is zeker Aardappelbovistentijd, want op bijna elk bospad waren deze paddestoelen te zien. Ontelbare stralenbundels van de zon schoten door de mist. Dat gaf meteen een feestelijke sfeer (zie foto).

Terrein Brabant Water

Op de natte, donkere stam van een Tamme Kastanje zat het vrouwtje van de Plakker. Een nachtvlinder behorende bij de Spinners. De rupsen spinnen namelijk een cocon waarin ze tot vlinder kunnen verpoppen. Het mannetje van de Plakker is niet alleen veel kleiner maar is ook bruin terwijl het vrouwtje wit is. Goed dat ik het vleugelpatroon snel op een papiertje had nagetekend. Daardoor was de vlinder in het insectenboek vrij snel gevonden.
Het vrouwtje van de Plakker plakt haar eieren bij elkaar tegen een boomstam. Het meest bijzondere is echter dat ze die eieren bedekt met de geelbruine haren van haar achterlijf. Haren uit je lichaam trekken om je eieren te beschermen, dat is pas een sterk staaltje van zorgzaamheid.
Als ze klaar is met haar werk zie je op de boomstam een bruine plek zitten (zie foto links). Als je het niet weet zou je denken dat er een korstzwam op de boom zit. In Duitsland noemen ze deze vlinder “Zwamspinner”.

Plakker

Bijna 10 jaar geleden vonden we in Boswachterij Dorst, onder diverse bomen, een groot aantal dode vlinderlichaampjes van de Plakker (zie foto rechts). Tegen de stammen waren vele geelbruine kussentjes te zien. Kennelijk waren de vlinders na het leggen en toedekken van de eieren meteen gestorven. Ook de cocons (zie foto onder) waar de vlinders uitgekomen waren zaten nog tegen de boomstammen. Als cocons en eieren zo dicht bij elkaar zitten mag je aannemen dat de vrouwelijke Plakker weinig of geen gebruik maakt van haar vleugels.

Cocon van de Plakker

“Een ernstige plaag in bossen en boomgaarden” staat er in verschillende insectenboeken. Onder de Plakkers kan inderdaad een bevolkingsexplosie ontstaan. De rupsen kunnen dan loofbomen en misschien zelfs bossen, volledig kaal vreten. Maar het ander jaar klapt de populatie door ziekte en het werk van parasieten weer in elkaar.

Bij mensen heb ik de populatie nog nooit in elkaar zien klappen. De bevolkingsexplosie bij de Homo sapiens gaat het ander jaar gewoon door. Dus als men ergens van een plaag kan spreken! Het lijkt me arrogant en egoïstisch andere levensvormen als ‘schadelijk’ te betitelen terwijl we zélf de meeste schade veroorzaken. Daar zouden we eens aan moeten denken als een Mol ons gazonnetje overhoop zet of de Spreeuwen er met de kersen vandoor gaan. Zij verdienen echt niet de doodstraf!

In het natte gras langs de bezinkvijvers dansten tientallen bruinachtige motjes op en neer. Vermoedelijk Schietmotten of Kokerjuffers. De dans die ze uitvoerden was echter een ‘Danse Macabre’ een dodendans. Regelmatig raakte er een verzeild in het horizontaal liggende web van een spin. Die rende er meteen naar toe en wikkelde zoveel spindraden rond zijn slachtoffer dat deze geen vin meer kon verroeren. De kant en klaar maaltijd bleef als appeltje voor de dorst in het web hangen.

21 vogelsoorten op een wandeling van 4 uur is niet veel. Zodra vogels niet meer zingen zoals in het voorjaar dan schiet het aantal waarnemingen omlaag. Je bent dan aangewezen op zichtwaarnemingen en dat is in bebost gebied nu eenmaal veel moeilijker dan in open terrein. Bovendien trekken veel vogels weer naar het zuiden. Er zat trouwens wel een soort tussen, die het vermelden meer dan waard is. In de dorre top van een Lariks zaten 20 Kruisbekken hun veren te verzorgen. Twee mannetjes waren op kop, borst en rug steenrood. Als ze even naar een andere tak fladderden bleek ook de stuit van dezelfde opvallende kleur. Bij het vrouwtje viel de stuit eveneens op maar dan door de geelgroene kleur. Voor ik ze dichter kon benaderen, want ik probeerde natuurlijk de vreemd gevormde gekruiste snavel in beeld te krijgen, gingen ze er vandoor. Dat lag niet aan mij maar aan een Ekster die eveneens in de Lariks ging zitten.

‘t Mosmanneke oktober/november 2009

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*