Gedichten

Altijd kind

Moeder, ik ben vijfenveertig nu
en kan mijn eigen boontjes doppen
Natuurlijk heb ik een zakdoek en ‘n plu
en je hoeft me niet meer in te stoppen

Ik zal het hekje heel goed sluiten
en ook het raampje van de schuur
De vuilnisemmer staat al buiten
kijk maar, naast de emmer van de buur

In mijn sokken zitten echt geen gaten
en de auto zal ik morgen boenen
dadelijk zal ik de hond uitlaten
poets daarna nog mijn schoenen

Soms dan wordt het me te machtig
is dat mens nu doof en blind?
Want of je nu twaalf bent of tachtig
voor een moeder blijf je altijd kind

Uit mijn gedichtenbundel “Vaarwel lieve wolk”, 1980

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*