Mosmanneke

Slikken van de Heen Oost 2

In deze aflevering van het Mosmanneke is het nog steeds ploeteren geblazen om het schelpstrandje te bereiken.

Benedensas

Het Kleefkruid was trouwens al verdord en was niet langer bij machte iemand het leven moeilijk te maken. Maar er bleef nog genoeg over! Het klinkt een beetje raar misschien, maar door de brandnetels lopen gaat eigenlijk nog het beste. Vanwege de kletsnatte begroeiing heb je een regenbroek aan zodat je gevrijwaard blijft van het ‘mierenzuur’ dat uit de brandnetelharen komt.

Laat ik echter niet mopperen, want de tocht werd aanmerkelijk veraangenaamd door een overvloed aan rijpe, heerlijk zoete, bramen. De vruchten van de Meidoorn hadden nog niet hun maximale kleur rood, maar ze begonnen toch al flink in het oog te lopen. De trossen met Vlierbessen werden al zo zwaar dat de steel naar beneden boog en de schermen naar de grond wezen. Aan een verse tak stonden nog twee bloemschermen in volle bloei.

Pendelzweefvlieg

Hier en daar waren indrukwekkende bramenformaties te zien. Soms wel meer dan 3 meter hoog. Voor die hoogte hadden ze dan wel ondersteuning nodig van bijvoorbeeld een Vlier. Met een beetje geluk kon de vlier nog net zijn hoofd boven de bramen uitsteken. Onder een enorme braamstruik in de zijwand van een kreek lag de ingang van een hol. Het gras in de naaste omgeving was plat getrapt. Ik vroeg me af of het een vossenhol was en dat het gras door de vossen tot een speelweitje was omgevormd.

Van Vossen naar Wolfspoot (Lycopus europaeus) is maar een kleine stap. De plant is zo algemeen dat je er bijna niet meer naar kijkt. Ten onrechte natuurlijk want langs de stengel zijn mooie kransen met witte, paars gevlekte bloempjes te zien. Wat lager aan de stengel waren de bloempjes uitgebloeid en leek de vruchtvorming al op gang te zijn gekomen.

Schelpstrandje

Het schelpstrandje (zie foto) zag op sommige plaatsen paars van het Klein Schorrenkruid (Suaeda maritima). Opvallend waren ook de frisgroene vertakte stengeltjes van de Kortarige Zeekraal (Salicornia europaea) die op sommige plaatsen massaal de kop opstaken. Waarschijnlijk waar het meeste zout in de bodem zat. Een paar van deze plantjes moesten door mijn toedoen gehandicapt door het leven. De malse topjes smaken ook zo lekker zilt!

Met het vorderen van de tijd warmde het schelpstrandje wat op. Het sein voor Zomerbitterling en Duizendguldenkruid hun bloemen wijd open te zetten.

Watermuntgalmijt

Naar de aantastingen van de Watermuntbloesemmijt (Aceria megacera) (zie foto) hoefde je niet echt te zoeken. Even rondkijken op een plek waar Watermunt stond was voldoende. De anders zo helderblauwe bloesem van Watermunt was verandert in een dicht opeen gepakte massa van wit behaarde, vergroende bloemen. Maar er zaten ook nog roodachtige gedeeltes in. Ongetwijfeld een prima onderkomen voor de minuscule Galmijten.

Op 16 juli schreef ik dat er op het schelpstrandje maar weinig Zulte (Aster tripolium) stond. Waarschijnlijk heb ik toen niet goed gekeken. Het kan ook zijn dat ze toen nog niet allemaal in bloei stonden. Nu zag ik in ieder geval overal bloeiende Zulte terwijl ze ook al vruchtpluis hadden gevormd. Overigens zagen alle planten van Zulte er wat armetierig uit. Slechts 1 ex. kwam ik tegen zonder de bekende lila straalbloempjes. Dan zijn dus alleen de binnenste gele bloempjes te zien. Zulke exemplaren worden gezien als een aparte vorm van Zulte (Aster tripolium forma discoideus). Volgens de Oecologische Flora wordt deze vorm binnendijks slechts sporadisch aangetroffen. Leuk dat ik er een vond op het schelpstrandje.

Veel aandacht aan het Klein Koolwitje (Pieris rapae) schenk ik meestal niet. Maar er vlogen er vrij veel vandaag en er zat er een zo gewillig te poseren dat ik er toch maar een opname aan waagde. Het Oranje Zandoogje (Pyronia tithonus) bleef eveneens lang genoeg zitten om een foto te maken. ‘Poseren’ is trouwens het goede woord niet. Als je ze niet met de grootste voorzichtigheid benaderd zijn ze weg.

Het is gemakkelijker om achter de naam van het Klein Koolwitje te komen dan van een Grasmot (zie foto) waarvan vele soorten bestaan.

Grasmot

Het beestje was denk ik kleiner dan 1.5 cm, want opmeten was er natuurlijk niet bij. Waarschijnlijk was het een Crambus soort. Opvallend aan het motje waren de grote ogen en de lange ‘snuit’. Hij was bruinachtig met een witachtige streep aan de zijkant. De strak langs het lichaam gevouwen vleugels leken aan de achterkant recht afgesneden. Hij zat met zijn kop naar beneden wat bij grasmotten normaal schijnt te zijn. Zodra het grote grasmottenboek uitkomt schaf ik er een aan.

Het grote Zweefvliegenboek had ik in ieder geval wel. Daardoor kon ik het zweefvliegje dat op een grashalm zat een naam geven.

Grote langlijf

Het was het vrouwtje van de Grote Langlijf (Sphaerophoria scripta) (zie foto). Afgaande op de Nederlandse naam denk je onwillekeurig aan een groot beest. Ik geloof niet dat ze veel groter was dan 8 mm! Opvallend was de halve maanvormige gele vlek vlak achter het borststuk.

De Blinde Bij (óók een zweefvlieg!) Eristalis tenax zat op een schermbloem. Het viel me nu pas op dat zijn achterlijf vrij puntig toeliep. Ook een soort Sluipwesp scheen iets van zijn gading op de schermbloem te vinden. Waarschijnlijk was het de soort Pimpla instigator met een vrij korte, stevig uitziende legboor.

Ik was blij dat ik een Gammauiltje (Autographa gamma) tussen de begroeiing zag zitten. Daar hoefde ik in ieder geval de boeken niet voor open te slaan.

Wat de vogels betreft was de telling zoals altijd onvolledig. Door de ondoordringbaarheid van het gebied kun je in het grootste gedeelte vrijwel niet komen. Daar kwam nog bij dat de vogels zich wat schuil leken te houden hetgeen door de rui ook wel het geval zal zijn. Bij de 90 Canadese Ganzen en groepen Grauwe Ganzen die met veel kabaal overvlogen was van schuil houden geen sprake. De Waterral hield zich weer wel verborgen, maar dat zit nu eenmaal in zijn natuur. Gelukkig laat hij af en toe zijn zeer kenmerkend geluid horen. Dat biedt dan eigenlijk meer zekerheid over zijn aanwezigheid dan een zichtwaarneming!

Knikkende distel

In de ondiepe strook voor het eilandje foerageerde een Grote Zilverreiger. Af en toe schoot zijn snavel bliksemsnel het water in. Vervolgens dacht ik langs de waterkant een Graspieper te horen. Even later dacht ik zelfs aan een Oeverpieper. Toen de ‘pieper’ over het water voorbij vloog wees zijn manier van vliegen toch duidelijk in de richting van een Oeverloper! Er wordt wat afgepiept onder de vogelbevolking.

Een Bruine Kiekendief vloog vrij laag rondjes over het schor en bleef voortdurend roepen. Echt een alarmroep was het niet. Het leek me een soort roep die bestemd was voor de jongen.

De Roodborsttapuit langs de Heense Dijk alarmeerde wel degelijk, volgens mij meer uit gewoonte dan dat er iets aan de hand was. Ik kon me haast niet voorstellen dat ik de oorzaak was van zijn ongerustheid, want we kennen elkaar al lang genoeg!

Voor het eerst zag ik dat er onder de overstek van het gebouwtje langs de Heense Dijk, op aparte plankjes, kunstnesten waren aangebracht. Deze nesten waren ook te herkennen aan de gladde buitenkant.

nesten huiszwaluw

De nesten die de Huiszwaluwen (zie foto) zelf bouwen hebben een veel ruwere structuur. Aan de westkant van het gebouwtje was bij verschillende, door de zwaluwen gebouwde nesten, de bodem er al uit gevallen. Hopelijk nadat de jongen waren uitgevlogen! Er vlogen nog maar 2 of 3 Huiszwaluwen waarvan er een het nest in vloog. Die had misschien nog jongen.

De kudde grazende schapen op de Heense Dijk ging nauwelijks opzij toen ik er aan kwam. Frustrerend om te zien dat veel van de schapen beginnen te plassen en te poepen als je passeert. Is dat alles wat je kunt doen als je me ziet, denk ik dan. Eentje begon er te blaten, maar dat hielp me niet echt van mijn minderwaardigheidsgevoel af!

‘t Mosmanneke november/december 2011

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*