Mosmanneke

Botaniseren? Levensgevaarlijk!

 

Wij hebben een Californische Cipres (Chamaecyparis lawsoniana) in de tuin. Dat klinkt behoorlijk indrukwekkend, dus zal het wel een bijzondere boom zijn. Nou, vergeet het maar. Deze conifeer is misschien wel onze meest algemene sierboom. In bijna alle tuinen is hij te vinden. Vaak als strak geknipte heg. Het is een zogenaamde Schijncipres omdat ze op cipressen lijken, maar het in feite niet zijn. Net zoiets als de Schijnaardbei wat in feite een ganzerik is. Net zoiets als Dame Edna wat in feite een man is.

Mannelijke bloemen Californische Cipres

Californië is uiteraard de streek waar de boom vandaan komt. De kwekersfirma Lawson in Edinburgh had de cipres gekocht van de botanicus William Murray die het zaad in 1854 vanuit Californië had opgestuurd. Die Murray was eigenlijk op zoek naar zijn collega Jeffrey die in Californië spoorloos was verdwenen. In plaats van zijn collega vond hij langs de Sacramento rivier bovengenoemde cipres. Zijn collega, zo bleek later, was door indianen vermoord. Blijkbaar was botaniseren in die tijd een levensgevaarlijke bezigheid. De plantenwerkgroep mag trouwens wel oppassen. Op de Dintelse Gorzen zitten ook roodhuiden.

Wat de Californische Cipres betreft ‘chamaecyparis’ betekent ‘dwergcipres’ een wat rare benaming voor een boom die 60 meter hoog kan worden. Het schijnt dat er in Nederland al exemplaren staan van rond de 40 meter. Die zullen dan wel geen dienst doen als heg. Of misschien bij mensen die perse geen inkijk willen! Over de vele cultuurvormen (ca 180) van deze boom zullen we het nu maar niet hebben. Volgens een Duitse flora vertoont de boom een tendens naar inburgering.

Vrouwelijke bloemen Californische Cipres

Eind maart, begin april dacht ik even dat er naast het huis brand was uitgebroken. Het werd veroorzaakt door de mannelijke bloemen van deze cipres. Bij elke zuchtje wind loosden ze wolken met stuifmeel. De mannelijke bloemen (zie foto) zijn op het toppunt van hun bloei zeer de moeite van het bekijken waard. Vuurrood met zwarte schubben en ze staan massaal aan de uiteinden van de takken. Rond half april zijn ze uitgebloeid en beginnen tot verdriet van de buurvrouw van de takken (en op de stoep!) te vallen. De geelgroene vrouwelijke bloemen (zie foto) hebben dan al kleine groene kegeltjes gevormd. Ze staan wat verder terug aan de twijg en zijn heel wat moeilijker op te sporen dan die macho’s van mannen. Ook de oude kegeltjes van vorig jaar zijn dan nog terug te vinden. Ze hebben acht schubben en zijn ongeveer een centimeter in doorsnee.

Als je een twijgje tegen het licht houdt dan zie je met behulp van de loep op de middelste schub, die een klein beetje boven de zijschubben uitsteekt, een doorschijnende wat langwerpig gevormde klier. Bij opvallend licht is dat ook wel te zien, maar veel minder goed. Op de foto van de vrouwelijke bloemen zijn die klierschubben goed te zien. Volgens sommige boeken ruiken de gekneusde bladeren naar Peterselie, maar volgens mij ruiken ze gewoon naar de Californische Cipres.

Wolken stuifmeel van de Californische Cipres

‘t Mosmanneke april/mei 2009

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*